PEETERS ONLINE JOURNALS
Peeters Online Bibliographies
Peeters Publishers
this issue
  previous article in this issuenext article in this issue  

Document Details :

Title: Congenitale anomalieën van de vena cava inferior als risicofactoren voor diepe veneuze trombose
Author(s): VERMEYEN E, PEERLINCK K, MALEUX G, VERHAMME P
Journal: Tijdschrift voor Geneeskunde
Volume: 66    Issue: 4   Date: 2010   
Pages: 188-193
DOI: 10.2143/TVG.66.04.2000706

Abstract :
Congenitale anomalieën van de vena cava inferior ontstaan door fouten in de anastomosevorming tussen de primitieve veneuze systemen tijdens de embryogenese. Er zijn verschillende anomalieën bekend, waarbij de veneuze circulatie meestal via het azygos-hemiazygossysteem wordt afgeleid. Congenitale anomalieën worden door de beperkingen van de collaterale circulatie beschouwd als een voorbeschikkende factor voor veneuze trombose. Vooral bij jonge personen met een op het eerste gezicht idiopathische, hoog reikende veneuze trombose moet men hierop bedacht zijn. Beeldvorming van de grote abdominale vaten kan de anomalie aantonen.
Over de optimale behandeling van veneuze trombose bij deze patiënten is er geen eenduidigheid door een gebrek aan gegevens. In de acute fase kan lokale kathetergeleide trombolyse worden overwogen, maar behalve bij een lidmaatbedreigende veneuze trombose is er geen consensus over de indicatie hiervoor. Het is immers onzeker of trombolyse de trombosesequelen op lange termijn helpt voorkomen. Bij het bepalen van de duur van de antistollingsbehandeling dienen de voor- en nadelen van de antistolling voor onbeperkte duur te worden afgewogen. Er is immers een blijvende voorbeschiktheid voor trombosen. Zeker wanneer er argumenten zijn dat het collaterale systeem insufficiënt is en/of bij posttrombosebeen is het prioritair om nieuwe trombosen te voorkomen en zal de voorkeur gaan naar langdurige anticoagulerende therapie. In dit artikel worden 2 patiënten met diepe veneuze trombose beschreven met hypoplasie van de vena cava inferior als voorbeschikkende factor.





Congenital abnormalities of the inferior vena cava: a risk factor for deep venous thrombosis.
Congenital abnormalities of the inferior vena cava result from a defective anastomosis between the primitive venous systems during embryogenesis. Multiple anomalies are described, the venous return being usually shunted via the azygos-hemiazygossystem. Due to the flow limitations of this collateral circulation, congenital anomalies of the inferior v. cava constitute an enhanced risk for the development of deep venous thrombosis. Especially in young patients presenting themselves with an idiopathic venous thrombosis congenital venous anomalies should be considered. Medical imaging of the abdominal veins permits investigation and documentation of the anomaly.
As comparative data are lacking, no consensus exists concerning the optimal treatment of these patients. In the acute phase local thrombolysis may be considered; but when an imminent harm to the limb does not occur, a general consensus about optimal therapy does not exist. Evidence that long term sequellae can be prevented is lacking as well. Risks and benefits of long term anticoagulation should be evaluated when determining the span of an anticoagulation therapy due to the permament predisposition for venous thrombosis. In case of an insufficient collateral circulation and/or of a post thrombosis leg, long term anticoagulation will be preferred to prevent recurrent thrombosis.
In this manuscript the medical history of 2 young patients (resp. 27-year-old, resp. 19 year-old) with deep vein thrombosis due to a congenital hypoplasia of the inferior vena cava is reported.

download article




18.232.53.231.