this issue
previous article in this issuenext article in this issue

Document Details :

Title: De 'Geranien-Erlebnis' en de terugkeer van het landelijke
Author(s): JESPERS, H.-F.
Journal: Spiegel der Letteren
Volume: 39    Issue: 2   Date: 1997   
Pages: 131-146
DOI: 10.2143/SDL.39.2.2003814

Abstract :
Tijdens de eerste maanden van 1922 maakte Paul van Ostaijen, die zijn dienstplicht te Issum vervulde, een (zoveelste) periode van depressiviteit door. Eind februari onderstreept hij in een brief aan zijn vriendin Emmeke dat het minder gaat om de „uiterlijke moeilikheden" dan wel om de „innerlike krisis". Met een bij hem zeldzame openhartigheid legt hij zijn kwelling bloot: „Wat zal ik worden? Kapitale vraag, waarop ik sedert een half jaar geen antwoord weet. ( ) Mijn toestand omschrijven kan ik niet meer. Niets is scherp genoeg. — Ik kan nog slechts over oppervlakkige dingen schrijven — ofwel het nogmaals langs de kunst beproeven. — Maar hier sta ik nu met volledige skepsis tegenover mijn eigen mogelikheid. ( ) Soms is het leven bitter. Het leven is bitter en juist dat is misschien het waardevolle daaraan voor mij, mens die het lachen heeft verleerd. Doch wat er in mij omgaat daarover ben ik met mezelf niet in het klare. ( ) Lieve mij ontbreekt veel tans en niemand kan mij helpen. Hoe zal het einde zijn. — Alle leven is mij vreemd. Mijn moeder, jij Stan allen zijn mij als vreemdelingen. Ik versta niemand nog. Wanneer vind ik tot anderen weer ene voor mij begrijpelike verhouding". Rond hetzelfde tijdstip, op 3 maart 1922, deelt hij Fritz Stuckenberg mee: „Ich weiss nicht ob ich diese Krise, die vor einen Jahr begonnen ist, noch überwinde. — Es scheint mir dass ich jede Orientierungsfähigkeit verlor".

Download article


3.238.72.122.